Er was eens een wrede gemene uil. Hij was heel gemeen, vooral tegen kleine dieren. Hij woonde pas in het grote bos. Hij had scherpe klauwen en een scherpe snavel. Vaak had hij geen honger, maar wilde gewoon wat spelen. Als hij uitgespeeld was, liet hij de gewonden dieren aan hun lot over. De dieren in het bos sprake er schande van. Ze kwamen bij elkaar op de open plek in het bos. Het edelhert stampten met zijn hoef, als ik de uil onder mij hoeven krijg vermorzel ik hem.Sssst fluisterde de wijze vos, ik hoor BO, ja hoor daar stapte de kleine BO in het midden van de kring.BO het konijn was heel klein, zeg maar een kabouter konijn.Hallo BO ratelde sprinkhaan, net op tijd want jij kan ons helpen.Met je magische krachten kan heel veel zoals jezelf heeeeel groot maken, groter dan de uil.Je moet ons helpen kleine BO, jij kan hem wel aan.Ik weet waar hij zit, kwaakte een van de kikkers, gisteren had hij mijn broer te pakken.Weg met de wrede uil riepen alle dieren.Hij zit vaak op een tak van de grote eik.Ja riep de glimworm, ik heb hem gisteren daar nog zien zitten. Morgenavond ga ik naar de eik en zal deze uil weleens een lesje leren. Zodat hij nooit meer een poot in dit bos zet.De volgende nacht ging de kleine BO op pad, hij zag de uil op een tak zitten van de grote eik.BO gloeide als een neonlamp op, en ritselde wat, hij gaf heel veel licht, om aandacht te trekken.En ja hoor de uil draaide zijn hoofd en zag BO, hij sloeg zijn vleugels uit en kwam op BO af.Maar BO was razendsnel en werd heel groot, hij kreeg vleugels.Zijn tanden werden vlijmscherp en zijn poten veranderde in klauwen.Hij vloog op de uil af en pakte zijn poot, trok hem naar beneden, schopte met zijn achterpoten flink tegen een van de vleugels van de uil.Ze tuimelde naar beneden, kwamen op de grond met een bons.BO sprong op de rug van de uil die op zijn buik lag.Hij trok met zijn klauwen, strepen over de rug van de uil.Met zijn tanden beet hij in een van de oren.Hij fluisterde daarna in het oor, als je niet maakt dat je wegkom doe ik je nog meer pijn, zoals je altijd doet bij de kleine dieren.En als je weer terug kom dan zal ik je opzoeken.Ga en kom nooit meer terug, ja goed ja goed krijsende de uil onder hem.BO stapte van de rug af, en de uil vloog met zijn gekneusde vleugel en pijnlijke rug weg.En is nooit meer gezien in het bos.BO werd weer het kleine kabouter konijn, hij ging naar de open plek in het bos.Alle dieren waren daar al en hadden het goede nieuws al gehoord.Ze riepen BO kleine BO maar heel groot.Nachtvlinders en de vuurvliegjes vlogen in het rond.Kikkers kwaakte hun vrolijkste deuntje, de sprinkhanen gaven een geweldig concert.De wijze vos huppelde mee, terwijl het edelhert stil stond te kijken.BO sprong midden in de feestelijke kring met zijn vleugels en gloeiend als een neonlamp.Hij danste, vloog en sprong op het ritme van het geluid, de danskring werd groter en groter.Alle dieren dansten mee of zij maakte geluid. Maar midden in was de kleine BO, klein maar oh zo groot.Vroeg in de ochtend ging iedereen weer zijn eigen gang, en kleine BO ging terug naar zijn piepklein huisje ergens in het grote bos.En waar dat grote bos is en dat piepkleine huisje dat vertel ik niet.


